Interview Confederatie Bouw

“Schilderen van erfgoed is jarenlang investeren in jezelf”

Dat is de titel van een interview van Bouwmagazine. Dit is een driemaandelijks blad speciaal gemaakt voor schilders, behangers en plaatsers van vloerbekleding. Deze horen samen omdat schilders in deze tijd veel meer moeten kunnen dan alleen maar schilderen. Ze moeten hun diensten uitbreiden om geld te verdienen. Anders kunnen ze meegaan met de goedkope tarieven van de concurrentie.

Bouwmagazine had een erg interessant gesprek met twee ervaren mensen van Renotec Group. Renotec Group is een onderdeel van de Confederatie Bouw.

Maar wat houdt dat precies in? De Confederatie Bouw is een organisatie die opkomt voor de belangen van meer dan 15 000 aannemers die actief zijn in de sector bouw, energie of milieu. Ze hebben ook onderdeel “Confederatie Bouw – Vlaamse Schilders”. Dit is een regionale beroepsfederatie die zich, uiteraard, richt op schilders. U kan steeds bij hen terecht voor informatie, bijstand of advies. Ze verdedigt uw beroepsbelangen met plezier!

De twee geïnterviewde werken in het bedrijf Renotec Group.  Dat is een onderdeel van de Confederatie Bouw. Het is een bedrijf dat gespecialiseerd is in werken in en rond gebouwen, bouwconstructies en monumenten. Ze hebben hoogopgeleid personeel in dienst die elke klus voor u klaren. Ze zijn dé specialist in hun werk. Binnen de organisatie zorgen ze voor een goede opleiding zodat er zeker niets misloopt en de werknemers allemaal de nodige vakkennis beschikken.

Dan nu de twee gasten: Luc De Wolf en Luk Ghys. Ze werken beide voor de interieurafdeling van Renotec Group. Het gesprek gaat over het renoveren van erfgoed. Zij komen hiermee namelijk dagelijks in contact. Niet iedereen kan dit zomaar doen. Er zijn heel wat factoren waar je rekening mee moet houden als je iets oud renoveert.

Erfgoed willen schilderen betekent ook investeren. Je moet een opleiding volgen om dit te kunnen doen. Dit kost natuurlijk wel geld. Geld dat sommige mensen niet hebben. Schilderopleidingen zijn vaak erg duur, waardoor mensen geneigd zijn een korte cursus te volgen. Hierna denken ze dat ze schilder zijn, maar ervaren én opgeleide schilders weten wel beter.

Het renoveren van erfgoed, is niet simpel. Het is zeker en vast helemaal anders dan het schilden van een living. Je moet met vier factoren rekening houden: Thermoplasticiteit, compatibiliteit, reversibiliteit, dampdoorlatendheid. Deze moet je onder controle hebben als je begint aan erfgoed. Wat ook een noodzaak is, is dat je moet terugvallen op experts. Je kan niet alles zelf doen, je kan niet alles weten. Daarom moet je uitleg durven vragen. Deze mensen geven je ook vaak tips. Gebruik deze zeker! Als je dit niet doet, kan het soms nogal erge gevolgen hebben. Dit zal je firma veel geld kosten. Stel nu dat je net de kerktoren opnieuw hebt geschilderd. Je moest van de expert rekening houden met bepaalde zaken, maar je dacht dat je het beter wist. Je moet dan opnieuw een stelling plaatsen, opnieuw verf aankopen, … .

Het is heel erg belangrijk om te weten waar je mee bezig bent. Als schilder van erfgoed moet je weten welke verf je moet gebruiken, welke borstel, welke techniek, … . Zo zijn er een heleboel verven die je gebruikt voor erfgoed. Bijvoorbeeld kalkverven of silicaatverven. Het meest nieuwe is siloxaanverf. Deze is beter dan kalkverf omdat die zeer gevoelig is aan vervuiling. Voor elke verfsoort bestaat ook een bepaalde techniek, die je zeker en vast moet kennen.

Schilder is ook een knelpuntberoep. Dit betekent dat er schilders tekort zijn. Als bedrijven een vacature plaatsen om een schilder aan te nemen, komen er erg weinig mensen op af. Het beroep is niet meer zo populair als vroeger. Dit heeft onder andere te maken met de lage prijzen en de concurrentie. Mensen die wel afkomen op zo een vacature, hebben vaak niet de juiste opleiding of kennis.

Er wordt ook gezegd dat mensen vaak nogal wantrouwig zijn ten opzichte van nieuwe schilderbedrijven. Om dat wantrouwen te doen veranderen in vertrouwen, moet je laten zien dat je weet waar je mee bezig bent. Eenmaal je een slechte reputatie krijgt, geraak je er moeilijk vanaf. Dit is bij alles zo, niet enkel in de schilderwereld.

In het artikel wordt ook heel uitgebreid gepraat over het lastenboek. Maar wat is dat precies? Het lastenboek bestaat uit twee delen. Ten eerste is er een administratief gedeelte. Daarin wordt onder meer de prijs en de uitvoeringstermijn  opgenomen. Het tweede deel is een technisch gedeelte. Hierin wordt vermeld wat de richtlijnen zijn voor de uitvoering, de omschrijving van de werken, de materiaalkeuze, de kleur, de afmetingen, … . Het lastenboek moeten schilders absoluut volgen. Zo weten ze waar ze aan moeten beginnen, hoe ze het moeten doen en met welk materiaal. Het is vanzelfsprekend dat niets precies verloopt zoals in het lastenboek vermeldt staat en dat je zelf ook nog wat moet kunnen inschatten.

Lees hieronder het volledige artikel.

“Schilderen van erfgoed is jarenlang investeren in jezelf”

Wie ooit overweegt om als schilder erfgoed onder handen te nemen, denkt best twee keer na. Dat is ons gevoel na het gesprek met Luc De Wolf en Luk Ghys van Renotec Group, een lid van de Confederatie Bouw. Beiden werken voor de interieurafdeling van het bouwbedrijf en komen dagelijks in contact met erfgoed en schilderwerken. “Erfgoed is een specialisatie waar je rekening moet houden met heel wat factoren”, zeggen de twee. “Het is jarenlang investeren in jezelf, anders lukt het niet.”

Wie vergaapte zich nog niet aan de schoonheid van een middeleeuwse kathedraal, een statig herenhuis of een stadhuis dat flamboyante gotiek uitademt. Die gebouwen werden eeuwen geleden neergepoot, maar zijn nog steeds in al hun glorie te bewonderen. Dat komt door gespecialiseerde bouwbedrijven die zich toeleggen op het restaureren van erfgoed. Dat gebeurt met veel toewijding voor het vak, want oude gebouwen opfleuren is geen sinecure.

Luc De Wolf en Luk Ghys van Renotec kunnen dat alleen maar beamen. Samen stonden ze mee aan de basis van de start van de interieurafdeling van het bedrijf. “Geen eenvoudige klus, want bouwheren staan wantrouwig tegenover nieuwkomers in de erfgoedrestauratie”, zegt afdelingshoofd Luk Ghys. Technisch adviseur Luc De Wolf treedt hem daar in bij. “Je moet tijdens de werken echt laten zien dat je weet waar je mee bezig bent. Dan slaat het wantrouwen sneller om in vertrouwen. Je moet weliswaar kwaliteit blijven garanderen. Een goede reputatie is moeilijk te houden, maar een slechte reputatie raak je nooit kwijt.”

Je moet dus over een zekere expertise beschikken?

 De Wolf: “Absoluut! De eerste vereisten om aan restauratie van schilderwerk te beginnen zijn passie hebben en bereid zijn om in jezelf te investeren. Bij het schilderen van erfgoed is namelijk geen enkel project hetzelfde. Ik heb in mijn carrière al 20 tot 25 kerken gedaan, maar geen enkel bouwwerk werkten we volgens dezelfde methode af.”

Ghys: “Als je niet door de restauratiemicrobe gebeten bent, kan je gewoonweg moeilijk fier zijn op je werk en je betrokken voelen tijdens de uitvoering. Het is vaak even zoeken voor je een pasklare oplossing hebt.”

 Laten we in dat geval eens de voornaamste aandachtspunten overlopen. Ik denk dan meteen aan het gebruik van de verven. Vergt dat veel voorkennis?

 De Wolf: “Er zijn heel wat verven die je voor erfgoedtoepassingen kan gebruiken, maar meestal zijn het minerale verven. Denk maar aan kalkverven of silicaatverven. Tegenwoordig bestaat er ook siloxaanverf, een hybride verfsysteem waar zowel acrylaat als mineralen in zitten. Het is een slijtvastere verf dan kalkverf, dat gevoeliger is voor vervuiling. Een hybride verf is bovendien makkelijker te verwerken dan een mineraalverf, omdat die dichter aanleunt bij een acrylaatverf die de meeste schilders gewoon zijn.”

Geldt er voor verfborstels ook zo’n diversiteit?

 De Wolf: “Nee, je hebt simpelweg varkensharenborstels nodig. Met die synthetische kwasten hou ik me niet bezig. Het grote probleem is dat sommige schilders niet meer met een borstel kunnen werken. Ik heb zojuist 2 gevels in Antwerpen door een onderaannemer laten schilderen. De deuren moesten er in zijdeglans gelakt worden, maar die schilders hebben dat 2 tot 3 keer met de rol geverfd. Zo kreeg het oppervlak een appelsienenhuid waar de klant niet mee akkoord was. Dat bedrijf heeft iemand extern moeten inhuren om die opdracht met een kwast af te werken.”
“Je ziet dat spijtig genoeg in de negatieve zin evolueren. Vroeger kwam ik op een jaar tijd toe met een rolletje plakband. Tegenwoordig gebruiken schilders kilometers tape omdat ze niet meer kunnen aflijnen. Ik heb alles zonder tape leren aflijnen en bij restauraties komen net die technieken vaak terug. Daar zit het vaak niet snor bij de niet-vakman-schilders die met erfgoed willen werken.”

Ghys: “En da’s het grote verschil tussen een schilder en een vakman-schilder. Die laatste weet hoe hij zijn materiaal moet gebruiken, welke borstels voor welke toepassing dienen.”

De Wolf: “Tja, Luk… Ik zeg al 20 jaar dat het beroep van schilder zwaar gedegradeerd is. Het is ook niet meer simpel om goede mensen op te leiden. Een opleiding zoals de mijne bestaat al helemaal niet meer. Ik heb 17 jaar bij mijn vader gewerkt en dat was een goede decorateur. Dan leer je de stiel wel! Tegenwoordig volgen ze een korte opleiding en denken ze schilder te zijn.

Ghys: “De marktprijzen liggen natuurlijk ook erg laag, waardoor iedereen onder druk staat. Je hebt amper de tijd om het werk nauwgezet uit te voeren.”

Jullie opmerkingen klinken als een fundamenteel probleem, maar hoe kan je dat oplossen? Bestaan er opleidingen om erfgoedschilder te worden?

 De Wolf: “Het enige alternatief is een interne opleiding. Er bestaan opleidingscentra voor hout- en marmerimitatie, maar die cursussen kosten erg veel geld. Je leert er ook maar een segment van de decoratietechnieken en zal er tot de vaststelling komen dat je geen schilder-decorateur kan worden met een VDAB-cursus van 6 maanden. Tegen dat ik een borstel mocht vasthouden was ik al 3 jaar aan het schuren. Maar dan kan je het wel!”

“Die tijd is spijtig genoeg voorbij en daar moeten we ons ook bij neerleggen. Ik probeer mensen daarom intern op te leiden, maar daar kan je pas de vruchten van plukken als ze 5 tot 6 jaar bezig zijn. Je werkt vaak met mensen die niet zo goed Nederlands spreken, omdat je in die branche ook niet meer anders kan. Wie wil er nog schilderen?”

Ghys: “Een goede schilder is een knelpuntberoep. Als we jobadvertenties plaatsen, komen er zelden mensen op af met een goede werkervaring of het juiste profiel. Er is dan ook een grote opening tussen mensen die een vakopleiding schilderwerken hebben gedaan of een zevende jaar schilder deden en het andere extreme: een master restauratie en conservatie met optie muurschilderingen. Daartussen zit je met een leemte. Een extra opleiding voor erfgoed zou dus geen kwaad kunnen.”

De Wolf: “Inderdaad! Merk ook op dat we het nu nog niet over materialenkennis hebben gehad. Voor erfgoed is dat waanzinnig veel informatie. Je hebt handigheid en je hebt materialenkennis. Voor erfgoed moet je de beiden hebben.”

 Het staat ondertussen als een paal boven water dat erfgoed schilderen een complexe onderneming is. Jullie spreken ook over de waanzinnige materialenkennis. Wat bedoelen jullie daar juist mee?

 De Wolf: “De kennis van verven en de ondergrond gaat soms heel ver, omdat ieder project uniek is. Je zit weliswaar met een vast verhaal van het lastenboek, maar als schilder moet je eventuele problemen die de architect niet kon inschatten wel het hoofd bieden. Je blijft verantwoordelijk, omdat je de ondergrond aanvaardt.”

“Een vaak voorkomend probleem is bijvoorbeeld het overschilderen van pleisterwerk op basis van kalk. Dat heeft een hoge zuurtegraad, maar veel schilders nemen niet de tijd om dat te laten afbinden. Dan krijg je problemen met gelijk welk materiaal dat je er op zet. De zuurtegraad moet dus eerst goed zijn voor je kan verven. En dat is niet noodzakelijk wanneer de pleister of kaleilaag droog aanvoelt. In theorie zou je pas na 40 dagen de pleister of kaleilaag mogen overschilderen. Zo niet, krijg je afhankelijk van de gebruikte verf verzeping of afschilfering.

Ghys: “Hetzelfde geldt voor zouten. Als we zouten vermoeden in een ondergrond, dan gaan we die testen. Meestal zijn die analyses tegenwoordig ook voorzien in de aanbestedingen van monumentenzorg.”

En wat als er zich werkelijk een probleem met zouten voordoet?

 De Wolf: “Dan gaan we de pleister verwijderen en de muren extraheren met een mortel op basis van cellulose, een materiaal met een zeer hoog absorptievermogen van zouten. Dit herhalen we 2 tot 3 keer om de 14 dagen. De mortel moet je ook op tijd verwijderen of de zouten trekken terug in de muur. Daarna gaan we terug pleister aanbrengen, waarna 40 dagen gewacht moet worden voor er weer geschilderd kan worden. En daar zit dikwijls het probleem: de termijnen. Die zijn soms zo kort dat je niet in de ideale omstandigheden kan werken.”

Ghys: “Vaak is de tijdsdruk inderdaad een probleem en wordt de termijn vaak bepaalt op basis van het bedrag. Hierdoor wordt er te weinig rekening gehouden met het volledige proces. Ze gaan zelfs muren die 40 tot 50 cm dik zijn injecteren tegen vocht en tegelijkertijd het interieur aanpakken. Ze vergeten dat die injectie meer dan een jaar de tijd nodig heeft om uit te drogen en zo krijg je dan problemen omdat het verdampingsproces van de zouten nog volop bezig is.”

 Op zijn zachtst gezegd mag je schilderwerken en erfgoed niet overhaasten. Hoe kan een schilder eventuele fouten voorkomen?

 De Wolf: “Door het lastenboek en eventuele vooronderzoeken grondig door te nemen.” (neemt er een vuistdikke map bij) “Dit is bijvoorbeeld het vooronderzoek voor de Hanswijkbasiliek in Mechelen. De problematiek wordt er element per element geschetst. Ook vochtmetingen en kleursonderingen vind je er in terug.”

 Maar dat ziet er uit als voer voor specialisten…

 De Wolf: (fel) “Natuurlijk! In principe moet je bij problemen het materiaaltechnisch onderzoek opvragen en daaruit distilleren wat er fout zit. Bovendien moet je ook met een alternatieve oplossing op de proppen komen. Dat is zo vreselijk moeilijk dat ik onze onderaannemers hier altijd opvolg. Zeker als ze uit de nieuwbouwsector komen. Ik reik in dat geval de oplossingen aan, want je mag dat niet altijd van hen verwachten.”

Ghys: “Bij grote projecten is het de laatste tijd een gewoonte dat er vooronderzoeken gebeuren. Lastenboeken baseren zich daar steeds meer op. We hebben met Patrimoon zelf ook een studiebureau waar we vooronderzoeken, adviezen en proefrestauraties mee doen. Dan heb je een basis en is het aan de schilder om dat onderzoek door te nemen. Hij zou dat automatisch moeten opvragen om de kleuren te weten en om toch meer te weten van de onderliggende problematiek. Aannemers geven vaak een stuk lastenboek door, maar het vooronderzoek wordt meestal niet doorgestuurd.”

De Wolf: “De schilder is een noodzakelijk kwaad die op het einde van de rit de boel nog wat komt opkalefateren. Dat is hoe de aannemers redeneren!” (lacht)

 Is het lastenboek dan heilig voor een schilder?

 De Wolf: “Wij gaan heel vaak een constructief gesprek aan met architecten, onroerend erfgoed en de opdrachtgever om samen het ideale verfsysteem uit te werken. Heb ik ooit al eens volledig volgens het lastenboek gewerkt, Luk?”

Ghys: (grinnikt) “Ik denk het niet. Om een voorbeeld te geven… Het voorgestelde verfsysteem voor een kerk zou volgens ons een tussenliggende lijmlaag doen opzwellen. Na vier tot vijf weken begint die lijm natuurlijk terug uit te drogen, maar heeft die ondertussen wel je verflaag naar buiten geduwd, waardoor je barsten krijgt. De architect wilde er niet van weten, maar uiteindelijk heeft hij moeten toegeven. We hebben het probleem toen zelfs met twee proefvlakken aangetoond en in samenspraak met de architect en opdrachtgever een nieuw systeem uitgewerkt. .”

De Wolf: “En dan moet je nog een gepast systeem naar voren brengen dat wel werkt. Dat is op eigen verantwoordelijkheid, want ik maak onze verven zelf. We zijn toen van een dierlijke lijm naar een lijm op basis van tylose gegaan. Zo’n oplossingen kan je van elke schilder weliswaar niet meer verwachten. Op dat moment zou er een expert moeten zijn die het project begeleidt.”

 Nog kort over de werkuren. Het lijkt me onvermijdelijk dat die de eerste keren nogal oplopen.

 De Wolf: “Een schilder moet dat soort werk natuurlijk heel anders inschatten dan een livingske. Mijn beste tip is om het lastenboek grondig door te nemen. Niet alleen de bedragen per vierkante meter, maar ook de details waar vaak over gelezen wordt.”

Ghys: “Er zijn er die overhaast werken en enkel hulp vragen aan de technische adviseur van de verffabrikant, maar het lastenboek niet bekijken. Ze krijgen advies over de verf, maar achteraf zien ze zaken waar ze geen rekening mee hebben gehouden. Wij onderschatten soms ook onze uren, maar wij zullen nooit de kwaliteit en onze reputatie op het spel zetten. We willen met Renotec een voorbeeldfunctie uitoefenen.”

De Wolf: “Thermoplasticiteit, compatibiliteit, reversibiliteit, dampdoorlatendheid. Dat is een allegaartje van factoren die je onder controle moet hebben als je aan erfgoed begint. Schilders moeten dan ook durven terugvallen op experts en openstaan voor onze informatie en tips. Ik ken er genoeg die er hun laars aan lappen. In dat geval ben kan het soms lelijk uitdraaien. Denk maar eens aan een kerktoren van 40 meter hoog. Als daar de verf loskomt, kan je opnieuw een stelling plaatsen die een bom geld kost. Nogmaals, erfgoed benader je niet als een doorsnee livingske.”

Vond u dit interview interessant? Neem dan zeker een kijkje in de online versie van het bouwmagazines. De versie waar deze tekst uit komt, is die van augustus 2015.  Hierin vind u nog veel meer informatie over schilderen en de vereniging.

Bouwmagazines is een onderdeel van de Confederatie Bouw- Afwerking. Dit omvat niet enkel schilders, maar ook bv. schrijnwerkers en dakwerkers. U kan een heleboel informatie teruvinden op de website van bouwmagazines: www.bouwmagazines.be

Bent u een schilder en wilt u graag net dat tikje meer dan al de rest? Het land heeft altijd mensen nodig die erfgoed, zoals kerken, wil renoveren. Op de site van Renotec Group vindt u heel wat informatie. Ze zijn altijd op zoek naar gemotiveerde werkkrachten. Ben jij betrouwbaar, verantwoordelijk, flexibel en inventief? Twijfel niet om contact op te nemen. Wie weet is dit wel de job van uw leven!

Bron: http://www.bouwmagazines.be/Magazines_Schilder/LaatsteUitgave/VlaamseSchilder.pdf